Tarea 2 · Wie is het?
Praten over andere personen
Je oefent él, ella, ellos en ellas en de werkwoorden ser, tener en llamarse.
- Ronde A: kies het persoonlijke voornaamwoord (8 vragen).
- Ronde B: kies de werkwoordsvorm (8 vragen).
- Ronde C: vul zelf de werkwoordsvorm in (6 vragen).
Lees de uitleg na je antwoord. Bij een fout mag je opnieuw proberen. Je voltooit het spel als alle 22 vragen goed zijn beantwoord. Voor de volgende stap tellen de antwoorden die meteen goed zijn. Je hebt minimaal 18 van de 22 nodig.
Hulp nodig? Open het grammaticaoverzicht onderaan.
¡Muy bien!
22 van de 22 opgelost
Je hebt alle vragen goed beantwoord, eventueel na opnieuw proberen.
Speel je via de leerroute? Ga terug naar de spellen en open dit spel opnieuw om een nieuwe score op te slaan.
Hulp: grammaticaoverzicht
Él = hij. Ella = zij (één persoon). Ellos = zij (meerdere jongens/mannen of een gemengde groep). Ellas = zij (meerdere meisjes/vrouwen).
| Onderwerp | Ser (zijn) | Tener (hebben) | Llamarse (heten) |
|---|---|---|---|
| él / ella | es | tiene | se llama |
| ellos / ellas | son | tienen | se llaman |
Voor een naam gebruik je llamarse, voor leeftijd of bezit tener, en voor herkomst of wie iemand is ser.