Wie is het?
Leer de personages kennen
Werk zelfstandig en in stilte. Bekijk de afbeeldingen en lees de fiches. Oefen persoonlijke voornaamwoorden, ser, tener, llamarse, huisdieren en beschrijvingen.
Vier personages · 24 korte vragen · ongeveer 15–20 minuten
- Probeer het eerst zonder woordenlijst.
- Kies een antwoord of typ zelf. Klik op Controleer.
- Fout? Lees de tip en probeer opnieuw. Goed? Lees de uitleg.
Je ziet aan het einde hoeveel antwoorden meteen goed waren. Je kunt daarna je lastige vragen opnieuw oefenen.
PERSONAGE
De fiche geeft extra informatie. Kijk ook goed naar de afbeelding.
Goed gewerkt!
Klaar? Schrijf een korte kennismaking
Kies een personage. Schrijf vier zinnen over deze persoon: naam, leeftijd, beschrijving en huisdier. Gebruik de fiche en de afbeelding. Verbind twee zinnen met y. Probeer daarna dezelfde informatie te schrijven alsof jij het personage bent: begin met Me llamo…
Controleer: naam, leeftijd, beschrijving en huisdier. Let op de werkwoordsvormen en de uitgang -o of -a. Lees je tekst nog eens rustig na.
Blijf rustig werken. Volg de volgende stap in de lesbrief of wacht op de docent.
Hulp: grammaticaoverzicht
Bekijk de regel, zoek het voorbeeld en probeer de vraag opnieuw.
Over wie gaat de zin?
Yo = ik (je spreekt over jezelf). Tú = jij (je spreekt iemand aan). Él = hij. Ella = zij (je spreekt over één ander persoon).
| Persoon | Ser · zijn | Tener · hebben | Llamarse · heten |
|---|---|---|---|
| yo | soy | tengo | me llamo |
| tú | eres | tienes | te llamas |
| él / ella | es | tiene | se llama |
Naam: Ella se llama Lucía. Yo me llamo Lucía. Vergeet me, te of se niet.
Leeftijd: Ella tiene trece años. Yo tengo trece años. Gebruik tener, ook al zeg je in het Nederlands “zijn”.
Beschrijving: Él es tímido. Ella es tímida. Gebruik ser.
Beschrijvende woorden
Bij deze woorden kies je voor één jongen/man -o en voor één meisje/vrouw -a. Voor meerdere personen zie je -os / -as, maar in de vragen gaat het steeds om één persoon.
Simpático/a = aardig · divertido/a = grappig · tímido/a = verlegen · alto/a = lang · guapo/a = knap · rubio/a = blond.
Huisdieren
Un gato = een kat · un perro = een hond · un conejo = een konijn.
Tiene un perro = hij/zij heeft een hond. Tengo un gato = ik heb een kat.
Accenten op klinkers tellen niet mee als fout. Hoofdletters en leestekens maken niet uit. Kijk in de feedback naar de juiste spelling.