Spaans · 1 vwo · Blok A

Wie is het?

Leer de personages kennen

Werk zelfstandig en in stilte. Bekijk de afbeeldingen en lees de fiches. Oefen persoonlijke voornaamwoorden, ser, tener, llamarse, huisdieren en beschrijvingen.

Vier personages · 24 korte vragen · ongeveer 15–20 minuten

  1. Probeer het eerst zonder woordenlijst.
  2. Kies een antwoord of typ zelf. Klik op Controleer.
  3. Fout? Lees de tip en probeer opnieuw. Goed? Lees de uitleg.

Je ziet aan het einde hoeveel antwoorden meteen goed waren. Je kunt daarna je lastige vragen opnieuw oefenen.

Hulp: grammaticaoverzicht

Bekijk de regel, zoek het voorbeeld en probeer de vraag opnieuw.

Over wie gaat de zin?

Yo = ik (je spreekt over jezelf). Tú = jij (je spreekt iemand aan). Él = hij. Ella = zij (je spreekt over één ander persoon).

Ser, tener en llamarse
PersoonSer · zijnTener · hebbenLlamarse · heten
yosoytengome llamo
túerestieneste llamas
él / ellaestienese llama

Naam: Ella se llama Lucía. Yo me llamo Lucía. Vergeet me, te of se niet.

Leeftijd: Ella tiene trece años. Yo tengo trece años. Gebruik tener, ook al zeg je in het Nederlands “zijn”.

Beschrijving: Él es tímido. Ella es tímida. Gebruik ser.

Beschrijvende woorden

Bij deze woorden kies je voor één jongen/man -o en voor één meisje/vrouw -a. Voor meerdere personen zie je -os / -as, maar in de vragen gaat het steeds om één persoon.

Simpático/a = aardig · divertido/a = grappig · tímido/a = verlegen · alto/a = lang · guapo/a = knap · rubio/a = blond.

Huisdieren

Un gato = een kat · un perro = een hond · un conejo = een konijn.

Tiene un perro = hij/zij heeft een hond. Tengo un gato = ik heb een kat.

Accenten op klinkers tellen niet mee als fout. Hoofdletters en leestekens maken niet uit. Kijk in de feedback naar de juiste spelling.